Kwetsbare verdachten worden vaak verkeerd begrepen. “Zij raken verstrikt in een systeem dat is gebouwd voor de ‘redelijke verdachte’ — een verdachte die rationeel denkt, begrijpt en reageert.” Strafrechtadvocaat mr. Anne Elzinga ziet hoe kleine misverstanden in de opsporingsfase kunnen uitgroeien tot grote fouten — en pleit voor meer zichtbaarheid in het strafproces.
Blog
“Ik ben ervan overtuigd dat wij als HovJ vaak missen dat een verdachte kwetsbaar is”
— Hulpofficier van Justitie
Wie als verdachte in aanraking komt met politie of justitie, bevindt zich vaak in een kwetsbare positie. Maar er is een groep voor wie die kwetsbaarheid onderdeel is van hun bestaan: verdachten met een (licht) verstandelijke beperking of een psychische stoornis. Zij raken verstrikt in een systeem dat is gebouwd voor de ‘redelijke verdachte’ — een verdachte die rationeel denkt, begrijpt en reageert. Alleen: zo’n verdachte bestaat lang niet altijd. En juist daar gaat het mis. Zij worden in elke fase van het strafproces gemakkelijk over het hoofd gezien — van het eerste contact met de politie tot de uitspraak van de rechter. Ze passen niet in het standaardbeeld van de “redelijke verdachte” waarop ons strafrecht is gebouwd. En juist daardoor gaat het mis. Wie eenmaal door het systeem rolt zonder dat zijn kwetsbaarheid wordt herkend, verliest niet alleen rechten, maar vaak ook vertrouwen in het recht zelf.
Als advocaat ervaar ik dat het een onderdeel vormt van de dagelijkse praktijk. Verdachten die hun rechten niet begrijpen, die uit beleefdheid antwoorden omdat ze denken dat het zo hoort, die alles beamen wat de politie vraagt, omdat ze het niet meer kunnen bijhouden. En die later pas beseffen dat hun woorden hun vrijheid hebben gekost. Dat is geen onwil of listigheid, maar onbegrip, overprikkeling en vaak ook wantrouwen dat voortkomt uit jarenlang niet gehoord worden.
In de rechtszaal zie ik het telkens weer: niet de onwil, maar het onvermogen dat iemand de das omdoet.
- Regels zonder ruggengraat
Op papier bestaan er wel waarborgen. Er bestaat een OM-instructie, een handreiking uit 2021 waarin staat hoe politie en justitie met kwetsbare verdachten om moeten gaan. Daarin is opgenomen dat bij twijfel over een verstandelijke of psychische beperking de hulpofficier moet overgaan tot vaststelling van de kennelijke kwetsbaarheid. Ook zijn er gespecialiseerde verhoorders — de zogeheten VKV’ers — die extra training krijgen om met deze doelgroep te werken. Alleen geldt dat voornamelijk bij zedenzaken. Voor andere delicten is het puur toeval of er iemand met die kennis aanwezig is. En precies dáár wringt het: de bescherming van kwetsbare verdachten mag niet afhangen van toevalligheden in het rooster.
de waarborgen zijn er, maar ze zijn niet stevig genoeg verankerd. De OM-instructie is niet openbaar en heeft geen rechtskracht. Als het misgaat, kan een verdachte zich er niet op beroepen. De bescherming staat op papier, maar werkt niet in de praktijk.
- Als recht onbegrijpelijk wordt: de praktijk
Tijdens mijn studie aan de universiteit heb ik mij al ingezet voor de zichtbaarheid van deze kwetsbare groep. Waar het voor mij toen vooral een theoretisch vraagstuk was, werd het in de praktijk pijnlijk concreet. Als strafrechtadvocaat zie ik regelmatig hoe mensen met een licht verstandelijke beperking (LVB) tussen wal en schip vallen in het strafproces. Wat voor buitenstaanders soms lijkt op onwil of berekening, blijkt in werkelijkheid vaak onbegrip of communicatieve kwetsbaarheid. Achter elke ‘lastige verdachte’ schuilt vaak iemand die simpelweg niet wordt begrepen.
De cautie te letterlijk nemen lijkt op onwil
Er werd aan cliënt cautie gegeven in het kader van een verdachtenverhoor: “Vraag verbalisant: Je hoeft geen antwoord te geven op vragen die ik je stel, begrijp je dat? Antwoord van cliënt: “Ja, begrijp ik.”
De verbalisant startte het verhoor en stelde een vraag, maar daarna bleef het stil. Cliënt keek voor zich uit. De verbalisant fronste. De stilte werd ongemakkelijk. Cliënt had letterlijk begrepen wat er was gezegd: hij hóefde geen antwoord te geven, dus deed hij dat ook niet. De woorden waren juridisch correct, maar cliënt leek daardoor onwillig terwijl hij dat niet was.
Voor iemand met een cognitieve beperking kan juridische taal klinken als een bevel, niet als een keuze en neemt hij het “te” letterlijk. Wat voor een jurist of een verdachte zonder stoornis of beperking een neutrale mededeling is, kan voor zo iemand klinken als een opdracht of onduidelijkheid met zich meebrengen, waardoor verwarring ontstaat over de interpretatie van beide kanten.
De vraagstelling niet begrijpen leidt tot valse bekentenissen
Cliënt, met ADHD en vermoedelijk autisme, werd verdacht van vernieling. Toen de politie bij hem aan de deur stond, legden ze hem zijn rechten uit op de gebruikelijke, snelle manier. Hij knikte. Even later verklaarde hij dat hij “boos was” en “de laptop kapot had gemaakt”. Tijdens zijn verhoor ontkende hij. Hij had het niet begrepen. Hij was niet boos op iemand, hij was overprikkeld geraakt en daardoor was de laptop gevallen. Voor een vernieling moet een verdachte bewuste opzet hebben op het kapotmaken van iets. Bij doorvragen bleek dat niet het geval geweest te zijn. De rechtbank oordeelde dat zijn eerste verklaring voldoende was. Eenmaal gezegd is gezegd. Het deed pijn om te zien, omdat de oorzaak niet in onwil lag, maar in onbegrip. De vraagstelling van de politie, de spanning van het moment, het taalgebruik en zijn stoornissen – alles speelde mee. Toch werd dat niet meegewogen.
Reclassering duidt op berekende houding waar slechts behoefte aan duidelijkheid is
Ook verder in het proces ontstaan misverstanden. In een later stadium werd voornoemde cliënt die naast vernieling ook verdacht werd van stalking onderzocht door de reclassering in het kader van zijn voorarrest. Na één gesprek stond in hun rapport dat hij geen berouw toonde en de schuld niet bij zichzelf legde. Ze zagen tegenstrijdigheid: hij zei bij aangeefster uit de buurt te blijven, maar vroeg ook naar de grenzen van het contactverbod – “Maar tot wanneer loopt het contactverbod dan? Kan ik wel naar de woning van haar ouders toe?”. Wat zij niet zagen, was dat hij niet op zoek was naar een opening om te vervallen in zijn gedrag, maar naar duidelijkheid. Hij wilde weten wat wél mocht, waar hij aan toe was. Zonder structuur wordt het chaos in zijn hoofd. Zo verandert kwetsbaarheid in schijnbare onwil — en dat is funest voor een eerlijk oordeel. Toch bleef in het rapport staan dat hij geen inzicht had in zijn gedrag. En zo wordt kwetsbaarheid soms verward met onwil.
- Cijfers liegen niet
Vijfenveertig (45) procent van de volwassen mannelijke gedetineerden heeft een licht verstandelijke beperking. Zestig (60) procent kampt met een psychische stoornis. Naar aanleiding van mijn interesse voor het onderwerp heb ik onderzoek gedaan onder hulpofficier van justitie in Noord-Nederland (Groningen, Leeuwarden en Assen). Bij slechts tien (10) procent van de voorgeleidingen (140 van de1431 voorgeleidingen) door de hulpofficier van justitie wordt vastgesteld dat een verdachte kennelijk kwetsbaar is. Dat betekent dat negentig procent van de kwetsbare verdachten onzichtbaar blijft.
Dat het correct uitvoeren van de beoordeling moeilijk is, omdat daar slechts geringe tijd voor kan worden uitgetrokken en dit zonder de benodigde kennis over wat kwetsbaarheid inhoudt moet gebeuren, behoeft geen nadere toelichting. Dat het hierdoor een zware taak is voor de hulpofficieren, wordt derhalve ook niet ontkend.87 Ook de hulpofficieren bevestigen vorenstaande:
“Ik ben een leek op dit gebied. In een gesprek van een paar minuten kun je vaak niet de kwetsbaarheid vaststellen en hoe moet je dat überhaupt vaststellen. Ik denk dat een groot deel van de kwetsbaren zich mondeling heel goed kunnen uitdrukken, omdat ze dat in de loop der jaren hebben geleerd, maar dat neemt niet weg dat ze dan niet meer kwetsbaar zijn. Ik ben ervan overtuigd dat wij als HovJ vaak missen dat een verdachte kwetsbaar is.”
Er is geen eenduidige definitie, weinig tijd, en nauwelijks scholing. Hun inzet is relatief groot, maar hun gereedschap beperkt.
Bij de beoordeling van de kwetsbaarheid zijn er hulpmiddelen beschikbaar, zoals de OM-instructie. Vijfenveertig (45) procent raadpleegt geen documenten bij de beoordeling van kwetsbaarheid. Zo gaven zij of uitdrukkelijk ‘nee’ aan of volgde helder uit hun antwoord dat zij dit niet doen. Daarbij werd de indruk gewekt dat er verwarring heerst over of er documenten bestaan die zij zouden kunnen raadplegen: “Ook geen zicht op welke.”; “Ik ken het document niet.”; “Zou niet weten welke en welke specifiek voor onze rol als hulpofficier zijn bedoeld.”
Wat daarnaast opvalt, is dat door de hulpofficieren ook een beroep wordt gedaan op de professie van de advocaat. De hulpofficieren noemden de advocaat hier bijvoorbeeld vanwege de volgende reden:
“Ik heb dan mijn best gedaan, kort gezegd, en van daar af is het aan de advocaat om de boel te redden”
Wordt de kwetsbaarheid dan altijd getoetst? Daarop luidt het antwoord dat slechts 26% altijd de toetsing inzet.
- Eerlijk recht begint bij echt begrip
Het kan en moet beter. Het begint bij bewustwording en derhalve zichtbaarheid van het probleem. Kwetsbaarheid herkennen is geen extra taak, het is een voorwaarde voor rechtvaardigheid. Als politiefunctionarissen leren herkennen wat kwetsbaarheid betekent, kunnen ze anders communiceren. Eenvoudige taal, korte zinnen, terugvragen of iemand het echt begrijpt: dat voorkomt veel misverstanden. Een beetje meer tijd en taalbewustzijn kunnen het verschil betekenen tussen een eerlijk proces en een onterechte veroordeling.
Ook helpt het als de beoordeling van kwetsbaarheid standaard wordt vastgelegd in het proces-verbaal, zodat het niet meer afhangt van toeval of intuïtie. En er zijn hulpmiddelen die kunnen worden ingezet, zoals de SCIL, een eenvoudige test om te zien of iemand mogelijk een verstandelijke beperking heeft. Daarnaast is scholing onmisbaar: kwetsbaarheid hoort een vast onderdeel te zijn van opleiding en toetsing van hulpofficieren, niet als extra last, maar als basisvoorwaarde voor een eerlijk proces.
De volwassen kwetsbare verdachte is geen uitzondering. Hij is onderdeel van ons strafrechtsysteem, en daarmee onze gezamenlijke verantwoordelijkheid. De wet biedt waarborgen, maar de praktijk vraagt om aandacht, geduld en bewustzijn. Het is aan ons – advocaten, hulpofficieren, officieren en rechters – om ervoor te zorgen dat recht niet alleen formeel wordt toegepast, maar ook wordt begrepen. Want pas als iedere verdachte werkelijk wordt gezien, kunnen we spreken van een eerlijk strafproces.
